Samenvatting proefschrift Jochem de Bresser

‘Between Goals and Expectations – Essays on Pensions and Retirement’

Dit proefschrift gaat over subjectieve ideeën van individuen omtrent hun pensioen. Zowel verwachtingen als doelstellingen komen aan bod.

Het eerste hoofdstuk kijkt naar de relatie tussen het verwachtte pensioen inkomen, gemeten als vervangingsratio ten opzichte van het huidige inkomen, en tevredenheid met verschillende aspecten van iemands pensioenvoorzieningen. We volgen mensen gedurende langere tijd en vinden dat veranderingen in het verwachtte inkomen samengaan met veranderingen in tevredenheid met het inkomensniveau na pensionering. De tevredenheid met de leeftijd waarop iemand met pensioen gaat wordt echter niet bijgesteld op het moment dat het verwachtte inkomen verandert. Dit suggereert dat de gerapporteerde verwachtingen niet slechts een inkijkje bieden in iemands gemoedstoestand op het moment dat hij de vragenlijst invult. Deze data lijkt dus geschikt te zijn om de beoogde verwachtingen te meten.

Hoofdstuk 2 analyseert dezelfde verwachtingen omtrent de vervangingsratio van het pensioeninkomen ten opzichte van het huidige inkomen, maar vanuit een ander perspectief. De verwachtingen worden namelijk uitgevraagd in termen van kansen en het is de vraag of deelnemers aan vragenlijsten in staat zijn om dergelijke kansen te rapporteren. Het is bijvoorbeeld zo dat gerapporteerde kansen bijna altijd zijn afgerond tot veelvouden van 5 of 10 procent. In dit hoofdstuk beschrijven we dergelijk antwoordgedrag en laten zien dat het modeleren van het antwoordproces leidt tot preciezere schattingen van de relatie tussen verwachtingen en achtergrondkenmerken van respondenten.

Het derde hoofdstuk gaat ook over verwachtingen, maar ditmaal over hoe lang iemand denkt te zullen leven. De standaardbenadering in de literatuur is om dergelijke verwachtingen te beschrijven door middel van 1 enkele verdelingsfunctie die aangeeft wat de samenhang is tussen leeftijd en de kans dat iemand overlijdt. Deze verdeling wordt echter geconstrueerd op basis van een beperkt aantal gerapporteerde kansen in combinatie met een structuur die de onderzoeker oplegt, zoals een familie van parametrische verdelingen of zogenaamde spline functies. De keuze voor een bepaalde structuur is arbitrair. Daarom kiezen wij ervoor om de set van alle verdelingsfuncties te karakteriseren die niet in tegenspraak zijn met de gerapporteerde kansen. Daarnaast kijken we wat de invloed is op die verzamelingen als gerapporteerde kansen afgerond worden. We vinden dat de data op zich weinig informatief is en dat onderzoekers dus genoodzaakt zijn om meer structuur op te leggen om tot statistische conclusies te komen. Dat komt echter niet zozeer door afronding, maar vooral door het feit dat we slechts een paar punten op de verdelingsfunctie observeren.

Het vierde hoofdstuk beschrijft de mate waarin Nederlanders in januari 2008 financieel voorbereid waren op hun pensioen. Daartoe vergelijken we hoeveel mensen zeggen uit te willen geven als ze met pensioen zijn met de middelen die ze tegen die tijd tot hun beschikking zullen hebben. We kijken dus in hoeverre Nederlanders in staat zullen zijn om het door hen gewenste uitgavenniveau te bereiken. Hierbij is het belangrijk dat we gegevens van pensioenfondsen gebruiken om te voorspellen hoeveel pensioen iemand rond de pensioenleeftijd heeft opgebouwd. We vinden grote verschillen tussen individuen in zowel consumptiewensen als inkomensstromen. Over de linie genomen stond Nederland er in 2008 echter niet slecht voor: minder dan 20% leek de eigen doelstelling te gaan missen.

Een groot deel van het empirische onderzoek in de economie, en alle hoofdstukken van dit proefschrift, maken gebruik van steekproeven van huishoudens die regelmatig vragenlijsten invullen over uiteenlopende onderwerpen. De onderliggende aanname is dat dergelijke steekproeven qua gedrag representatief zijn voor de populatie waar ze uit geselecteerd worden. Het is echter mogelijk dat het gedrag van respondenten wordt beïnvloed door de vragenlijsten die ze invullen.

In het vijfde en laatste hoofdstuk kijken we of deelname aan de vragenlijst over consumptiewensen na pensionering, eerder geanalyseerd in hoofdstuk 4, invloed heeft gehad op hoeveel huishoudens sparen. Daarbij is het belangrijk dat selectie voor de vragenlijst willekeurig was, zodat we er van uit kunnen gaan dat de groep die de vragenlijst wel gekregen heeft gemiddeld genomen vergelijkbaar is moet de groep die niet geselecteerd was. Bovendien wordt het sparen direct afgeleid uit informatie van banken en de fiscus. We kunnen dus uitsluiten dat verschillen voortkomen uit veranderingen in gerapporteerd gedrag terwijl de groepen gemiddeld genomen evenveel sparen. We vinden dat huishoudens gemiddeld genomen minder spaarden door deelname aan de vragenlijst over consumptie na het pensioen. Wellicht was de vragenlijst een aanleiding om na te denken over een onderwerp dat normaal gesproken gemakkelijk naar de achtergrond verdwijnt en kwamen veel huishoudens tot de conclusie dat ze er zo goed voorstonden voor hun pensioen dat ze wat minder konden sparen.